Jonge Dichter des Vaderlands

De eerste Jonge Dichter des Vaderlands is Jens Meijen (20)  Als literaire duizendpoot is hij met veel projecten tegelijk bezig: hij is reporter van HUMO, student taal-en letterkunde aan de KU-Leuven, is schrijver in residence bij DWB. In zijn poëtische zoektocht wordt hij bijgestaan door de huidige en vorige Dichter des Vaderlands Laurence Vielle en Charles Ducal.

eerste gedicht

België

Dit land is een collage. Een versnipperde

verzameling van zaken.

Je ziet hier

bakstenen huizen als

                  kerstlichtjes langs de wegen.

frieten met mayonaise en

                  cervela’s

Belastingen, papierwerk verpakt in grijze mappen

Broodautomaten, kermissen met

                  suikerspinnen  

voetbalvelden, chocolade

wielertoeristen zwermend door de straten

 

je ziet hier mensen die zachtjes naar je knikken

                  en verlegen aanschuiven

                  om koffie.

mensen die zich zorgen maken

                  om de toekomst,

                  om elkaar en

                  om de wereld.

mensen die voorzichtig zijn, in woorden en daden

                  - het bezweren van de onrust -

mensen met hoofden van graniet, maar ook mensen met

                  gespleten hoofden;

                  tussen Rome en Aleppo,

                  tussen Brussel en Parijs, tussen Ankara en Krakau

                  tussen leven en lijden.

mensen die klagen:

                  te veel water op de daken, te weinig licht in onze levens

                  te veel treinen die niet rijden, te weinig dagen die vrij zijn

                  te veel groei in onze lijven, te weinig bloei in onze hoofden

                  te veel geld om af te geven, te weinig tijd om te houden

                                    van elkaar.

 

Een land van toegeven en opeisen

van boetseren op gedeeld gevoel

België is een onvermoeibaar tweegesprek. Een huwelijk. 

En ondanks alles zijn wij nog steeds

                  Samen

Ondanks alles kunnen wij nog steeds

                  het beste maken

                  van aan elkaar geplakte zaken

                  

Boodschap aan de toekomst

Boodschap aan de toekomst

 

Donald Trump is president; Google een leger. Haat gloeit op in alle landen; de noordpool zweet

haar angsten uit. De wereld heeft koorts. Volgens ons duurt het niet lang meer.

 

We trekken bloedrode krijtstrepen over de aardkorst. Spuwen rookpluimen de hoogte in.

 

 

We tasten de grens van onze menselijkheid af, proeven van het leven als machine. Met

voorzichtige slokken. Nu nog.

 

We graviteren rond de luwte van de cyberspace. Staan aan de rand van een mandarijnkleurig

ravijn. Smokkelen herfstbladeren in jaszakken.

De geur van een vermoeid woud –

kennen jullie dat nog?

Het gevoel van erwtensoep en griep –

 

Alles moet maakbaar zijn; ook wij – het verleden balanceert op onze lippen. Kantelt in een

rozenstruik.

 

Durf twijfelen.

 

Durf weerstaan aan de vervreemding.

 

Blijf mens.

ter gelegenheid van gedichtendag 2017

Alles wat we hebben is humor.

Wanneer de wereld onder water staat
of dorre bomen in het zand
spontaan ontbranden
kunnen we niets anders dan lachen
om onszelf.

Ook nu:
Sidder van de opgeblonken blaaskaak
met getuite lippen en oranje hangende vleeswangen.
Zijn grootste angst: een wegwaaiend toupetje.
Merk op hoe hij net een kikker is die zijn kroost toekwaakt,
een vis die bijna in een hengel bijt,
en pers er toch een glimlach uit.

Kijk naar zij die leven van haat:
met ogen als braambessen, hersenen als krijtrotsen, tongen als tonijnsteaks.
Drink hun woorden
en proest ze uit in hun gezicht:
het gif zal parelen in hun baard of op hun kale hoofd.
En ze zullen lijken op grote bedauwde bladeren,
kleine katalpa’s in de ochtend, makke orka’s op het droge.
Speel, daag uit, ontkracht.
Humor is
wat zij niet hebben.

Ga naar buiten, in de gloed van de schuine splitsende zon.
Wijs naar de wolken en noem ze bloemkool met cocktailsaus.
Wijs naar de huizen in de buurt en noem ze luciferdoosjes of vlinderpoppen.
Wijs naar de honden op de stoep en noem ze neushoorns.
Wijs stiekem ook naar de fietsers en noem ze glibberige paarden of schimmen in fluovestjes.
Denk ten slotte aan de kikkers en de orka’s in de wereld,
en onthoud: zij kunnen dit niet.
Zij vrezen de kracht van relativering, het besef dat alles anders kan.
Lach, en de straatlampen fonkelen als kerstlichtjes, de verkeersborden wiegen als zonnebloemen.
Lach tot er niets anders bestaat dan longen en een lijf
en weet: dit is waar zij bang voor zijn.

De Ronde van België

We zijn op zoek, zegt ze.

(Ik vind het te definitief

om met pen te schrijven)

Het waait hard, zegt ze, niets is definitief.

 

Kijk naar de rommelmarkt

waar ze confetti scheppen met hun handen en verkopen.

 

Kijk naar de vrouw die soep eet en stormen op papier schrijft. 

 

Tast naar het centrum, blauw verblind door de zon:

mijn geperforeerde adem zal je leiden.

 

Kijk naar de glazen, blinkend in de zon.

luister naar de stemmen – ze klinken als fonteinen.

 

Kijk naar het plein, de stenen zijn hete scherven.

het midden van een vlakte is altijd een cirkel. 

 

Om de hoek bruist de tuin

van goudenregen, esdoorn, vogels en klimop

Hier bestaan geen stemmen.

Hier begint het denken.

 

De wildgroei tussen ons

wandelt traag door de stad,

van tuin tot tuin, mond tot mond. 

 

Tast naar de struiken, vind zand en twijgen en woorden –

ons centrum is vervlogen