Onze reporter op de Gentse Feesten

POËZIEN op de FEESTEN

door Hans Depelchin

Gentse feesten. Dat betekent: sfeer en gezelligheid, een heleboel fijne optredens, maar dit jaar ook meer dan ooit poëzie. Ik werd er door Jeugd en Poëzie op uit gestuurd om me naar hartenlust te laven aan de mooie woorden, de metaforen en de gestoorde begoochelingen. Van de verscheidene performances en evenementen heb ik er drie meegemaakt. U kent dat wel, zodra je je op één van de gemoedelijke terrasje begeeft, geraak je verweven in diepe gesprekken en de bedaarde zomergekte die je dan doet vergeten dat je nodig de benen dient te strekken. Onderstaand prijken mijn bevindingen die vlinderen tussen gepeperde commentaar en droge beschrijving.


En het grootste deel schreven we samen in bed

De Wolven van La Mancha organiseren een tiendaags poëziefestival in de Missy Slippy, een vrij nieuw en hip café tegenover de Sint-Niklaaskerk. Het is een plek die perfect te rijmen valt met poëzie. Het wordt voorgesteld als een blues-en-rootsclub en dat is nu net de soort muziek die je goed met poëzie kan associëren. De parlandostijl, de rauwe diepgang: beide waren terug te vinden in de gedichten die gepresenteerd werden. Overal aan de muren hangen blinkende muziekinstrumenten. Aan het plafond bevindt zich een glasraam dat als een soort goddelijke zon, of een heilige geest, zo u wilt, een weinig licht naar binnen probeert te lokken. Achteraan is er een podium, met op de wand een foto van een lachende, zwarte vrouw, vermoedelijk een belangrijke soulzangeres. Aan de bar staan rode, pluchen casinostoeltjes die de mix tussen het artistieke en het afgelikte van de club in de verf zetten. Ik neem een blonde Keizer Karel. Want in een café hoor je te drinken en onder een zachte vorm van beneveling is poëzie nog genietbaarder dan ze van nature al is. Mijn gezelschap was uitermate aangenaam. Samen zaten wij op de grijsgroene gietijzeren stoeltjes klaar om ons te laten bedelven onder klankassociaties en gelaagde variaties.

Vandaag, op 21 juli, onze nationale feestdag, werden, ironisch genoeg, Nederlanders uitgenodigd om uit hun werk voor te dragen. De presentator had zich toepasselijk getooid in een lelijke, oranje fleece trui. Hij heet Jack Johannes Hemp. Binnen zaten een negental mensen. Het terras zat stampvol. Daar kwam weinig verandering in, ook nadat de man met een megafoon de mensen op het terras probeerde aan te sporen om te komen luisteren. Op het podium aangekomen, maakte hij duidelijk dat er van het dunne publiek een zekere interactie werd verwacht. "Wie zijn wij?" riep hij. Waarop ondertussen een tiental monden "De Wolven van La Mancha" terug schreeuwden. De presentator ging er terecht van uit dat er enkel Nederlanders in de zaal zaten, en dichters.

René Van Densen, één van de Hollandse dichters, komt het podium op. Hij ziet eruit als een legerofficier op rust. Hij draagt een stoffen jas, met daaronder een olijfgroen hemd, een velours broek en bergbottines. Hij heeft een verwaarloosbaar brilletje op zijn neus. Zijn haar is krullend, halflang en zijn baard ongeschoren. Net als de meeste dichters die we zullen zien, schommelt hij tussen de dertig en veertig jaar. Hij stelt Von Solo voor, een dichter met gel in het haar die een tamelijk propere indruk maakt. René stelt Von Solo voor, die dan op zijn beurt weer René voorstelt. Zo hebben ze de lachers op hun hand. Van Densen leest een rijmpje voor dat het publiek moet aanvullen. Ook Von Solo wil koste wat het kost de aanwezigen tot actie aanzetten door ze volmondig "porno" te laten declameren, waarna een al even pornografisch gedicht volgt. Hij spreekt erg bevlogen, maar net als het werk van Van Densen, zijn deze gedichten niet geschreven om op de planken te brengen. Dat heeft zo zijn gevolgen voor de manier waarop ze overkomen. Maar dat is persoonlijk, natuurlijk. Afwisselend komen Van Densen en Von Solo het podium op en proberen ze de toeschouwers voor zich te winnen met grote gebaren, grote woorden en luide stem. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat we hier te maken hebben met twee dertigers die zich voornamelijk door een problematisch seksleven laten inspireren. Via de poëzie proberen ze een extatisch orgasme te bereiken dat ze in bed schijnbaar nooit hebben beleefd. Schrijven en slapen worden zo weer verbonden. "En het grootste deel schreven we samen in bed." Precies.

 "Het vlees is woord geworden", zegt Marten Janse, een iets oudere dichter die daarna optreedt. Zo vat hij de optredens van zijn voorgangers nauwgezet samen. Zijn gedichten bevatten tussen de lijnen eveneens veel verdoken orgasmes, hebben soms wat weg van rijmelarij, en komen meer over als losse gedachtesprongen dan als echte verzen. "Die venten zijn net grote kinderen", declameert Van Densen, die na Janse opnieuw aan de beurt is. Om aan te tonen dat vrouwen het vaker beter doen, sluit Anneruth Wibaut het eerste gedeelte van de voorstelling af. Ze begint haar gedicht "De man in mij", maar onderbreekt zichzelf meteen als ze ziet dat Van Densen en Jack Johannes luidop zitten te keuvelen aan de bar. Ze legt hen het zwijgen op en begint dan opnieuw. Het lijkt echter alsof ze haar eigen poëzie niet zo serieus neemt. Ze performt met een nonchalance die op het randje van onverschilligheid balanceert. Dat doet afbreuk aan de gedichten die, alweer, op papier vermoedelijk beter tot hun recht komen.

Kortom kwam "Hollanders in Gent", althans deel één, over als een wat rommelige vertoning, met één degelijke performer en poëzie waar ik liever op een andere manier van had genoten. Doch: de setting zat goed, het gezelschap zat goed, de poëzie was niet slecht, en de Keizer Karel had tussen mijn lippen de smaak van zoete verwachtingen achtergelaten.



MiramirO

Na dit eerste deel spoedden wij ons naar het Coyendanpark, waar Jeugd en Poëzie een standje heeft. Kinderen kunnen er op een toffe manier kennismaken met poëzie op grond van willekeurigheid en betekenisassociaties. Een blond jongetje van een jaar of zeven dat samen met zijn mama en zijn zus aan de Versmarkt klaarstond, mocht met dobbelstenen gooien die op elke zijde met een woord waren bedrukt. Hij kon ook met balletjes gooien of letters trekken. De uitkomst bestond uit vier woorden die hij met krijt op een bordje moest schrijven. Het blonde jongetje bekwam "olifanten", "droevig", "vallen" en "rennen". Daarna werd hij aangespoord om met die vier woorden een zin te vormen. Logischerwijs is het resultaat dan vrij onlogisch. Maar net dat is wat Jeugd en Poëzie met deze activiteit wil bereiken: dat kinderen stilstaan bij de manier waarop poëzie werkt en hoe gemakkelijk het soms is om onze dagdagelijkse taal die ze zo gewoon zijn, om te vormen tot iets absurds, iets beeldends, iets poëtisch, en vooral: hoe verrassend, en tegelijk humoristisch, de uitkomst van dat simpele proces kan zijn. De zin van het jongetje werd "Droevig vallen de olifanten rennen". Hij besefte waarschijnlijk niet dat hij hier meteen een vorm van contaminatie gebruikte, een vrij poëtisch stramien. De grammaticale constructie klopt niet en als je de zin leest, lees je er eigenlijk twee: "droevig vallen de olifanten" en "de olifanten rennen". Hij was erg gelukkig toen zijn zin op een badge werd gedrukt, die hij trots glimlachend aan zijn moeder toonde.

Achter de Versmarkt, waar de kinderen hun eigen poëziezin konden maken, kon je een poëzieportret laten schrijven. Vier dichters zaten op een rijtje en nodigden bezoekers uit om bij hen hun hart op tafel te leggen. Ze luisterden geconcentreerd, stelden vragen en vatten de indruk die je naliet in een gedicht. Ik las mee met een jongen van een jaar of tien die net zijn portret in handen had gekregen. Carlien, Jeugd en Poëzie-medewerker en portretdichteres van dienst, had er zijn droom in verwerkt om ooit een luchtkasteel te bouwen. Ook zijn ogen fonkelden in verwondering.

  

 

Poëzie in de Spiegeltent

Carlien vertelde dat er in de Spiegeltent, tussen de verschillende optredens van het Jonge Wolvenconcours door, plaats wordt gemaakt voor dichters om uit hun werk voor te dragen. Doordat ik drie uur lang had zitten genieten van een broodje Boektie in de Faja Lobi en van mijn beide gesprekspartners met wie ik duchtig enkele Desperados achterover sloeg, had ik het korte optreden van Coen Cornelis, op de allerlaatste versregels na, net gemist. We bleven in de drukke buurt van het Baudelopark hangen, wachtend op het poëtische intermezzo van de jonge dichteres Salomé Mooij. Om half tien, nadat de laatste noot van één van de Jonge Wolven had geklonken, werd er aangekondigd dat er opnieuw een streepje poëzie zou volgen. Jammer genoeg stond het overgrote deel van de toeschouwers prompt recht om een drankje te halen, te gaan roken, of om zich simpelweg buiten in het park te gaan vermaken. Op zich is daar niets mis mee, hoewel Salomé wel een groter publiek verdient. De akoestiek in de tent is ook niet ideaal. Het geroezemoes overstemde voortdurend, waardoor veel van haar beelden vervlogen.

In Schamper, het studentenblad van de Universiteit Gent waar ze wijsbegeerte studeerde, zegt Salomé zelf: "Ik denk dat veel toeschouwers niet alle betekenislagen kunnen vatten, omdat ze afgeleid worden door de performance" (Schamper, 18 maart 2015). Geheel trouw aan die opvatting vroeg ze de toeschouwers, die niet talrijk maar wel oprecht geïnteresseerd waren, om de ogen te sluiten. "Beeld je in dat je acht jaar bent en door je moeder wordt ingestopt". Zo begon het gedicht. Het werkte. Haar poëzie is heel erg klankgericht. "Ik heb als een klank op jouw hand gewankeld" wordt zo onvermijdelijk een metapoëtisch vers. Als je als toehoorder je ogen sluit, dringen die klanken effectief veel intenser door en komt het gedicht veel beter tot zijn recht. Salomé bezorgde ons de ervaring die ik bij de Wolven van La Mancha grotendeels had gemist. De Spiegeltent op zich is een indrukwekkende setting. Ook voor poëzie. Ik pleit er bij deze voor om de dichters niet gewoon de gaten tussen de optredens te laten opvullen, maar ze deel te laten uitmaken van een langdurig, gevarieerd poëzieprogramma. Poëzie is geen plamuur. Poëzie is de muur.

Ondertussen is het donker in de stad. In het park en de straten wemelt het van mensen en giert het feestgedruis door ieders aderen. Muziek komt langs alle gaten binnen, voedt het plezier, het beminnen en het zinnelijke pintelieren. Mensen dansen, mensen zwanzen, en de poëzie suist door alle kieren, wasemt uit de straatstenen en kegelt zichzelf onbeschrijfbaar bij mij naar binnen. Dankjewel, Gent, en tot zaterdag.

>