Onze reporter op de Gentse Feesten 2

Troost in eigen nat

Door Hans Depelchin (25 juli 2015)

Het is één uur in de namiddag. In Gent regent het pijpenstelen. Ik zit in de auto te twijfelen of het met mijn verkoudheid wel wijs is om toe te geven aan mijn ijver als reporter. Moedig als ik ben, trek ik na enkele ogenblikken de kap van mijn regenjas ver over mijn hoofd. Een mens moet trouw blijven aan wat hij heeft beloofd. De straten zijn verlaten. Polé Polé ziet er triester uit dan ooit tevoren. Bloempotten liggen omvergewaaid en verfomfaaid te balen in de plassen. Het lijkt wel alsof Gent dikke tranen huilt om zijn eigen druilerigheid. Met natte voeten schrijd ik voort en spoed me naar mijn eerste stop.

Poëzietuin/kader voor de mens

De Honest Arts Movement, of kortweg HAM, is een initiatief dat in 1974 gesticht werd door de enige echte Louis Paul Boon. De doelstelling houdt in dat er kunst gecreëerd en gepromoot wordt waarin de binding met de mens centraal staat, een gegeven dat Louis Paul Boon zelf hoog in het vaandel droeg. Kunstenaars van diverse disciplines werken samen aan een gemeenschappelijk project dat kunst op een laagdrempelige manier tot bij de mensen moet brengen. Deze keer werd aan een uitgebreide schare dichters gevraagd om werk te maken bij de sculpturen van beeldend kunstenaar Marf, die in de tuin te bezichtigen zijn. Zowel gevestigde waarden, zoals Charles Ducal, Menno Wigman, Delphine Lecomte, David Troch, Roel Richelieu Van Londersele, Sylvie Marie, als jongere, opkomende talenten, zoals Yerna Van Den Driessche en Dorien De Vylder, zijn er te lezen binnen de kaders die in de tuin rondom de sculpturen verspreid staan.

Wanneer ik er drijfnat toekom, loop ik de opzichter tegen het lijf, die niemand minder dan Roel Richelieu Van Londersele zelf blijkt te zijn. Ik vertel hem dat ik poëzie een warm hart toedraag en het lijkt alsof zijn eigen literaire hart daardoor aan het gloeien gaat. Hij is zichtbaar verheugd dat een jongeman als ik de tijd neemt om intensief met poëzie bezig te zijn. Hoewel ik nog nooit van hem had gehoord, heeft hij al tien dichtbundels en drie romans gepubliceerd en blijkt hij heel veel interessante contacten te hebben in de literaire wereld. Als mede-initiatiefnemer van dit project doet hij het verhaal van hoe het tot stand is gekomen. Hij benadrukt voortdurend hoe belangrijk het is om dichters te steunen in tijden die verstoken zijn van het nuttigheidsprincipe en waarin alles afhangt van financiële middelen. Samen met Charles Ducal is hij eveneens oprichter van Het gezeefde gedicht, een literair platform dat  aan nieuwe dichters publicatiekansen biedt, alsook mogelijkheden om op te treden of feedback te ontvangen (indien hierbij uw interesse is gewekt, inzenden kan steeds via www.hetgezeefdegedicht.be).

"Als de zon schijnt, is dit een rustgevende oase middenin het geraas van de feesten", zegt Roel herhaaldelijk. Ik geloof hem oprecht. Zelfs nu, met zompige schoenen en het onophoudelijke klateren van druppels op de kaders, geniet ik van de onwaarschijnlijk sterke gedichten en de samenhang die ze tot stand brengen tussen woord, beeld, natuur en gedachte. Uit een geluidsinstallatie die ik voor Roel heb klaargezet (hij sukkelt met zijn rug) weerklinken de stemmen van enkele auteurs die hun gedicht voordragen. Ik praat en wandel bijna anderhalf uur lang. Ik wil elk gedicht gelezen hebben, ook al is het bedekt met eendenkroos. Een aanrader.

 

 

Dichters onder het Toreken

Op de zolder van het Poëziecentrum, waar poëzie en gezelligheid uit de houten balken naar beneden lijken te dwarrelen, komen vijf dichters optreden. Het gaat om David Troch, Runa Svetlikova, Hester Knibbe, Thomas Möhlmann en Luuk Gruwez. Als een nieuwsgierig kind nestel ik mij op één van de overgebleven stoeltjes achteraan. De zolder zit stampvol. Het overgrote gedeelte van de toeschouwers is van middelbare leeftijd. Opnieuw gaat er bij mij iets knagen. Hoe kan het toch dat dit soort evenementen zo onder de radar van jonge mensen blijft?

De optredens van de dichters, die elk twaalf minuten kregen toebedeeld, worden afgewisseld met muziek. Een jonge, charismatische zangeres met een zwart kleedje en daarover een rode sjaal gedrapeerd, laat zich begeleiden door een accordeonist met een felblauw hemd. Samen zien ze er erg feestelijk uit. Ze brengen Franse chanson en dat doen ze als de beste. Ze zetten in met "Parlez-moi d'amour" en meteen word ik geraakt door het schrille contrast tussen de eenvoud van hun zuivere lied en de pompende bassen van de naburige kermis op de Vrijdagmarkt. Ik wankel tussen een vervelende vorm van vervreemding en een verscherpte aandacht voor de poëtische nummers. Na verloop van tijd waan je je volledig in Parijse sferen en wordt het feest in Gent even naar de achtergrond verdrongen. Tijdens al hun tussenkomsten is het publiek muisstil. Met haar Edith Piaff-achtige, kinderlijke gelaatsuitdrukkingen en haar subtiele gebaren heeft de zangeres de luisteraars snel voor zich gewonnen. Alsof het Frans waarin ze zingt geen barrière vormt, maar net een uitnodiging is om onbevooroordeeld te luisteren, terwijl bij bepaalde dichters die stijf achter de katheder bleven staan, nu en dan toch wat eentonigheid of gewenning optrad.

David Troch, lonkend vanonder zijn bril, leest gedempt en fluisterachtig voor. De Gentse stadsdichter legt in zijn stem een vorm van dramatiek die hij door het rekken van lange klinkers en tweeklanken kracht bij zet. Nu en dan doet zijn taal Hollands aan. Terwijl buiten "We will rock you" uit de boxen zindert, leest Troch een gedicht voor dat gaat over een begrafenis en het rouwproces dat eraan gekoppeld wordt. Ik word mij bewust van de onmiddellijke relativering van beide situaties. De Vrijdagmarkt, waar het platvloerse kermisgewoel steeds luider weerklinkt én de verstilling op de poëziezolder, waar dichters grote gevoelens bezingen. Twee manieren om het leven te vieren. Twee vormen van troost in eigen nat. Na Troch komt Runa Svetlikova, die aanvangt met de opmerking "Kermis en poëzie is een bizarre combinatie." Ze brengt onder meer een aangrijpend gedicht over een vrouw die drie dagen op het dak van een sociaal woongebouw gaat zitten, waarna ze er met een koffertje vanaf springt. "Alsof ze op reis ging", voegt Svetlikova eraan toe. Hester Knibbe, stadsdichteres van Rotterdam, boeit me met haar cyclus over de stad Thebe, waarin ze enkele mythologische toespelingen maakt die ik als classicus erg weet te appreciëren. Zo verbindt ze het schapenoffer, dat elk jaar een actueel topic wordt, met het offer van Ifigenea dat een gunstige wind moet opleveren om de Grieken naar Troje te laten varen.

Na opnieuw een streepje Franse chanson, is Thomas Möhlmann aan de beurt, die met zijn gedicht over de taal als afspraak opnieuw onbedoeld de link legt met wat er buiten aan de hand is. Vanop de rollercoaster klinkt een uitzinnig, dierlijk geschreeuw, terwijl Möhlmann het heeft over het beredeneerde, menselijke stramien van naamgeving. Hij schrikt er niet voor terug om ook de politiek op de korrel te nemen. "De Grieken hebben rechten. De Duitsers hebben rechten". Zo begint een recent gedicht dat duidelijk zinspeelt op de Europese crisis. Möhlmann is tot hier toe de meest bevlogen spreker. Hij heeft een diepe, intrigerende stem die zijn poëzie op hoger niveau tilt. Tot slot krijgen we Luuk Gruwez voorgeschoteld, die in 1973 voor het eerst publiceerde met zijn Stofzuigergedichten. Een ervaren rot in het vak. Hij houdt onze aandacht vast tot het bittere einde. Zijn gedichten zitten boordevol beklemmende beelden, maar net zo goed boordevol humor. Anno 2015 is hij het schrijven en het performen zeker niet verleerd. "Buiten nederlaagt het van het weemoedweer", zegt hij. Maar hoezeer de regen ook de weemoed in onze zenuwen doet ontkiemen, toch voelt deze dag niet aan als een nederlaag. De poëzie heeft wat mij betreft voor de tweede keer op rij gezegevierd.

Het is vijf uur in de namiddag. In Gent breekt de zon door de wolken. De kermis draait op volle toeren. Het volk kolkt door de stenen tentakels die herademen in de zachte gloed. De troost van poëzie in de natte stad is een heerlijke belevenis geweest die me mijn verkoudheid heeft doen vergeten.

 

>