We hebben een Totaal-winnaar!

De koeien zijn niet belangrijk – Lies Gallez

 

Eén.

 

Vandaag wil je het doen. Je knelt je handen om het stuur. Je knokkels worden wit, zoals het vel van je platte kont dat nooit het zonlicht ziet. Kijk dan, roep je. Met mijn handen rond de bagagedrager staar ik naar iets dat nog geen betekenis heeft: jij op je fiets, met achter je de grijsblauwe lucht, een maïsveld, bloemen, alsof je deel uitmaakt van een impressionistisch schilderij.

 

De wind slaapt nog, zeg je. 

 

Twee.

 

Stop, waar beginnen we? 

 

De dag voor de zon staakte, was er de dood van je vader. Hij stierf te vroeg, zei je. Je zei ook nog: Haal me hier weg. Je wilde vluchten naar een boshutje bij een meanderende beek om het gevoel te krijgen dat bomen je konden beschermen. Je moest die dag twee bontjassen ophalen bij de stomerij. Naast het bonnetje op het prikbord hing een post-it van je vader: Sam, wacht niet op mij om te eten. Hij had het twee dagen voor zijn dood geschreven. Je wist niet of het toeval was. Je wist niet of je in toeval geloofde. Maar welke andere opties heb je soms, dacht je.

 

Je trok je naaldhakken aan, stak je haar op in een nonchalante dot, toen kon dat nog. Je belde me op. In het kraken van je stem zat het verdriet waarmee je drie dagen gewacht had. Je had amper borsten, maar probeerde toch een décolleté. Aan je arm zat een handtas waarin je almaar meer spullen kwijtgeraakte. Je wachtte tegen een huis dat niet het jouwe was, rookte een Belga-sigaret die je onder je voeten doofde. Je lippen waren rood gestift.

 

Toen je instapte, zei je niets. Je liet je handen op je schoot rusten. Toevallig was het zo’n dag waarop alles treurig leek, ook de lucht, vogels, boomtoppen en het standbeeld van de onbekende soldaat in de stad. Op de radio zei de weerman: Straks wordt het een prachtige dag. Wist hij veel, natuurlijk.

 

Drie.

 

Je duwt je af. Je mist kracht, je mist iemand die zegt: Goed, joch, en iemand die dan zijn duim opsteekt, geen Facebookduim. Je vraagt: Wie bepaalt de vorm van wolken eigenlijk? Je wankelt, ook evenwicht moet je leren. Het is niet meer dan de lucht rond je lichaam leren te vertrouwen. Je ademhaling versnelt. Op je wangen en in je nek verschijnen rode vlekken. Je voeten op de pedalen maken langzame cirkels.

 

Je vader is nog altijd dood, maar dat maakt nu niets uit. Ook jij slaagt erin om een dode vader te vergeten, in het afduwen van je voeten, het deuntje in je hoofd van de Spice Girls: ‘If you wannabe my lover, you have got to give.’

 

Je zult niet vallen.

Je valt niet.

 

Vier.

 

Wat weten we nog?

 

Er was geen boshutje, maar een belofte.

 

Als je vader niet gestorven was, dan zouden jullie samen een cruise maken naar de Caraïben. Ook na die film te hebben gezien met Johnny Depp.

 

Het liefst vertelde je vader over het brouwen van bier. Hoe hij gerst moest mouten in de mouterij om de hoek. Jij zat naast hem op een bank in de tuin te luisteren met een vlecht in je haar. Je herinnert je twee stappen. Stap 1: het reinigen en sorteren van gerst. Stap 2: het weken van het graan. (Hoe ruikt dat, vroeg je? Naar iets dat belangrijk is, zei hij.) Verder herinner je je nog hoe hij je blik vermeed, zoals twee vreemden in een lift dat doen.

 

Waarom hij op cruise wilde, was je niet helemaal duidelijk. Misschien omdat jullie dan niet van elkaar konden weglopen. Soms houdt water mensen samen.

 

Vijf.

 

De wind zet op, duikt onder je armen, in de wijde mouwen van je regenjas, alsof je vleugels krijgt. Je denkt aan iemand die hier foto’s van moet nemen. Je denkt aan Facebook, Instagram en Twitter. Je denkt aan alle mensen die dit moeten zien. Je denkt aan alle mensen die dit niet meer kunnen zien. In dat kantelpunt van je gedachten zit net geen traan.  

 

Je trapt sneller nu. Je legt je focus op de horizon. De verticale lijn die logica in je blikveld brengt. (Misschien ook in het leven, omdat alles altijd een keertje ophoudt.)

Je fietst, en fietst.

Je korte haren staan je goed.

 

Zes.

 

Waar waren we?

 

Die keer dat je vader nog niet dood was, en jullie de barbecue uit het tuinhuis haalden, omdat het zomer was. De geur van geroosterd vlees mocht niet ontbreken. Je vader geloofde dat evenveel als hij in het ongeluk van een zwarte kat op vrijdag de dertiende geloofde.

 

Je had teenslippers aan en kreeg een blaar aan je grote teen. Met ontbloot bovenlichaam marineerde je vader het vlees in de avondzon en zei: Dit wilde ik mijn zoon leren. Hij keek naar jou, een kijken dat je nog niet van hem kende. Je was er zeker van, dit was de eerste keer.

 

Je griste de marinadeborstel uit zijn handen en haalde diep adem, een keer of drie. Je deed verder niets dan de controle over je ademhaling vergroten. Misschien was het boosheid, misschien was het verdriet, maar de stilte bleef duren, dijde uit zoals een olievlek in de oceaan.

 

Op je bord bloedde je biefstuk. Je vader zat naast je. Hij sneed zijn vlees in grote stukken. Op zijn bovenlip zat mayonaise, een klodder groter dan het topje van je pink.

 

Je besefte ook dat het met illusies niet anders gaat dan met blaren: ooit barsten ze.

 

Zeven.

 

Je zegt dat wie zich tegen de zwaartekracht verzet, valt. Je laat je handen twee seconden los. Misschien is het dat wat tijd zo moeilijk maakt: we beleven het allen anders. We geven het een vorm, herinneringen, zeggen we, terwijl we naar Facebook kijken en lachen.

 

Je voeten komen op het asfalt neer. Je legt je regenjas op de bagagedrager en bindt hem vast. Er is geen mens te zien. Enkel een weiland met koeien. Je wilde niet bekeken worden. Dat was de enige voorwaarde. We hebben het niet over dieren gehad. Ik overweeg te vragen: Wat met de koeien? Maar ik weet dat wij geen mensen zijn die koeien kunnen wegjagen.

 

Acht.

 

Volg je nog?

 

Toen je vader zijn spierballen toonde voor de spiegel in de woonkamer, en het gebrek eraan bij jou bevestigde, huilde je langer dan vijf minuten. Je timede het niet, maar daarna had je dorst. Je sloeg een vaas stuk. De bloemen kwamen op de grond terecht. Er was iets met de scherven waardoor je de binnenkant van je borstkas beter begreep.

 

’s Nachts lag je te wachten op de wens die almaar niet in vervulling ging. Op je nachtkastje een boek: K. Schippers, ‘Ze zeggen ook vaak: we bellen nog. Bij het weggaan.’

 

Je betastte je heupen, je borsten, je heupen. Je wilde dat het verlangen eindelijk meer werd dan buikpijn hebben. Je lichaam voelde toen aan zoals mensen op luchthavens: je wilde er niet te lang verblijven. In dit lichaam dwaalde je al jaren als een verloren gelopen kat.

 

Negen.

 

Je leert remmen. Het liefst plaats je je voeten terug op de grond, maar dat zorgt voor blauwe plekken op de achterkant van je kuiten. De koeien zijn niet belangrijk, roep je. Je wiebelt met je benen. Links, rechts, voor, achter, gaat het. Misschien is dit vrijheid, zoals je in een woordenboek terugvindt: het kunnen gaan en staan waar je wil.

 

Je schreeuwt, geen woorden meer, maar klanken uit het diepste van je lichaam die recht het luchtledige ingaan. Je vertraagt tot je vanzelf stilvalt. Je vertelt me dat John Dunlop een patent heeft op het ventiel. Het ventiel, herhaal je. Je bh-bandje zakt van je schouder. Je houdt een onzichtbaar stukje lucht vast tussen je duim en wijsvinger.

 

Tien.

 

Dus,

je vader stierf en leerde je niet fietsen. Dat zei je altijd in één zin. Hij stierf zomaar. Later verzon je: Hij kreeg een hartaanval. Een onzichtbare kracht viel zijn hart aan als een onklopbaar leger en hop:

het einde.

 

Je kunt het niet kiezen. Je kunt alleen hopen dat het iets over jezelf vertelt. Bij je vader was het niet anders. Hij had de gewoonte te verdwijnen, zoals de spullen in je handtas. Je probeerde hem te missen tot je hem echt miste.

Wat het voor jou eigenlijk betekende: een lege stoel aan de ontbijttafel.  

 

Je schreef een brief die hij niet meer zou lezen. Die las je na zijn dood hardop voor in elke kamer om het huis eraan te herinneren dat je vader er niet meer was. (Je echo en kippenvel, je echo en kippenvel, zo ging het.) Je eindigde met: je zoon, Sam. In de badkamer nam je de tondeuse van je vader en schoor je haar kort. 

 

Elf.

 

Je zet je schrap op het zadel, je linkervoet op de pedaal, je andere tip nog op de grond. Je duwt, maar gaat te traag. Je valt, net als die vaas, maar je breekt niet. Je schaaft je arm en bloedt. Met een vinger vang je de druppeltjes. Je dept het wondje met een tissue.

 

Je duwt je opnieuw af en trapt nu stevig door. De koeien grazen, slechts één van hen kijkt op, en dat is toeval (misschien). De weg is lang, je gedachten langer. Maar je blijft fietsen en fietsen tot je ergens zal eindigen. En misschien denk je ook: Eindelijk.

 

 

Lies Gallez houdt niet van chloorgeuren, tankstationkoffie en slagroom (omdat ze veganist is). Ze behaalde haar master schrijven aan het RITCS. Haar verhalen publiceerde ze onder andere in Kluger Hans, Deus Ex Machina, De Optimist en Tijdschrift Ei. Dagen vult ze het liefst met woorden bij elkaar sprokkelen op plekken waar bomen zijn. Ze werkt aan een kortverhalenbundel, schrijft voor MO* en geeft les aan anderstalige nieuwkomers.

>