N O O D U I T G A N Gdoor Elsbet De Pauw

Soet 2016
15-17
verdriet

N O O D U I T G A N G

 

Geruisloos valt ze uiteen op het ritme van de tijd. (Hoe hard ze ook probeert, aan het genadeloze hameren van de seconden valt niet te ontsnappen.) Kleine stukjes 'zij' vallen voorzichtig op de grond.

 

Het broze geluk dat ze zo minzaam koesterde, ligt nu in scherven voor haar neer. Het geluk ligt haar voor het rapen. Maar het lukt haar niet. Ze krijgt zichzelf niet in beweging.

 

Ze is bang dat de scherven in haar handen zullen snijden en de wonden enkel dieper zullen maken.

 

Ze huilt tot ze schreeuwt, maar haar wangen blijven droog en uit haar keel komt geen geluid. Dit schrale verdriet omhult haar als een tweede huid. De snerpende kou is zodanig bijtend dat ze zich afvraagt of de lente nog komt (en of ze ooit nog bloeien zal).

 

s’ Nachts echoot de weemoed van overdag, zonder slaap en vol zorgen (die van gisteren, nu en morgen).

 

Ze lijkt geen vat meer te hebben op het leven en het leven heeft geen vat meer op haar. Ze kan de dingen niet meer vastgrijpen, alles glipt genadeloos tussen haar vingers door.

 

In de zoektocht naar identiteit is ze zichzelf verloren. Ergens onderweg zijn haar lichaam en geest hun verbondenheid kwijtgeraakt. (Ze spreken niet langer dezelfde taal.)

 

Haar lichaam is slechts een tuig dat niet van haar lijkt te zijn. Een oncomfortabel ding dat ze nodeloos meesleept. Te veel, te groot, te robuust, te voyant.  Alles jeukt, alles wriemelt. In haar lichaam vindt ze geen thuis.

 

Het spel lijkt uitgespeeld. Het enige wat haar bestaan nog bevestigt, is het kloppen van haar hart en het razen van haar bloed.

 

Ze is verdwaald en heeft pijn van al dat vallen. Hoe moet ze nu verder met dit gammele leven en een hart vol geladenheid?

 

Waarom heeft niemand haar verteld hoe ze leven moet? Gewoon heel even ont-leven, alles uitgommen, vergeten en opnieuw beginnen. Even niets voelen, denken of zijn.

 

Ze vlucht in de donkere gangen, waar ze vroeger zo voor terugdeinsde. Ze vlucht, zonder doel voor ogen. Op zoek naar de nooduitgang. Wie pijn heeft, zoekt een remedie.

 

Ze is vergiftigd door haar eigen strenge beleid. Wat ze met beide handen zo gretig heeft vastgenomen, in een poging tot controle, laat haar nu niet meer los. De massiviteit van deze leegte knaagt hardnekkig aan wie ze is. De oorverdovende stilte maakt haar gek.

 

 

Geruisloos viel zij uiteen op het ritme van de tijd. Kleine stukjes ‘zijopdegrond.

 

“Help me dan.”

 

Maar enkel zij die zichzelf oprapen kan. Enkel zij die de stukjes terug lijmen kan.