De muis en de vogeldoor Gilles Michiels

Jonge dichter des vaderlands 2016
18+
maatschappij

De muis kroop uit een kleine spleet. Naast hem zat de vogel.
‘Dag vogel’, riep de muis vrolijk, ‘het is mijn eerste keer op deze wereld.
Ik heb twee ogen maar zie van die plant alleen de wortels.
Ze zeggen dat je met vleugels verder zien kunt dan met ogen.
Toon je mij de wereld van de bloem?’

De vogel bukte zich en nam de muis mee naar de bloem.
Op de bloem zat een spin. De spin keek naar de lucht vol vliegen.
‘Kijk eens, spin’, zei de muis, ‘hoe klein alles beneden is geworden.’
‘Wie als een web de dagen aan elkaar wil weven, moet op de hoogte
van zijn voedsel blijven’, zei de spin. Ze staarde voor zich uit.
‘Heb je dan nooit de grond gezien?’ vroeg de muis verbaasd.
‘Op de onvastheid van de grond kon ik alleen naar boven kijken’, zei de spin.
‘Hier ben ik vergeten wat beneden is.’

De muis wenkte de vogel. ‘Breng me naar die rots’, piepte hij.
‘Ook rotsen hebben spleten waaruit de wereld opengaat.’
‘Daarom staan ze naast elkaar’, knikte de vogel.
‘Door een rots alleen krijgt de wereld nog geen deur.’
Hij vloog de muis naar de rots.

 

Nu paste de wereld beter in de ogen van de muis.
Op de rots zag hij alsof hij vleugels had. Naast hem zat de sprinkhaan.
‘Jou heb ik al op de grond gezien’, sprak de muis haar aan. ‘Wat doe je hier?’
‘Elke keer als ik sprong, was ik volledig van de lucht’, zei de sprinkhaan.
‘Maar mijn zware lijf kon er niet blijven hangen. De rots helpt mij de lucht in.
Zo moet ik nooit meer springen om te eten.’

‘Zo gaat het in de wereld’, zei de vogel, toen hij de muis naar de boom vloog.
‘De spin heeft zich gehesen op de hoogte van haar web. Straks vindt ze zichzelf erin.
Ze is de slaaf van haar gewoontes. Morgen merkt de sprinkhaan dat zij op de grond thuishoort.
Ze zal weer willen springen. Geen van hen is echt gelukkig.’
‘Ik hoor in een spleet thuis’, zei de muis. ‘Ik word verwacht de wereld niet te zien.’

In de boom woonde de vogel. Hij toonde de eieren in het warme nest.
‘Maak ze niet wakker’, zei de vogel. ‘Ze hebben de vleugels nog niet om dit te zien.’
Hij toonde de wereld onder hen.
Muizen zijn maar klein als je zo hoog zit, dacht de muis.
Hij wou weten of zijn vriend nog meer kon zien.
‘Kun jij hoger vliegen dan dit nest is?’
‘Hoger kunnen we wel vliegen, maar niet bouwen.’
‘Komen jullie vaak beneden?’, vroeg de muis.
‘Alleen voor voedsel’, zei de vogel.