Jdoor Zoë Croegaert

Soet 2017
18+
maatschappij

Op hindepoten en met lange, losse haren waaruit takken sproten,
ontvoogde zij zich van haar ouderlijke huis, haar grond, haar vaststaande lot.

Ze hulde zich in huiden en vertrok gewoon, op een ochtend, op een dag.
Ze zwierf door bossen en valleien, over bergen en langs zeeën.
Ze lachte naar de sterren en huilde naar de zon.

En hoe meer ze zwief, hoe meer haar hoeven zich  vormden.
Haar takken kregen knoppen en vervolgens bladeren,
er nestten kleine vogels in.

Ze tekende zich met het land. 
Maakte haar haren licht met zand,
gaf zichzelf moddersproeten en
schelpen in plaats van nagels.
Ze ving bronwater in haar ogen
en doorvlocht haar stem met de wind.

Vele jaren trok ze zo, groeide, en gaf leven aan haar omgeving.
Een half uitgesproken gedachte, een tedere ontmoeting,
een uitgespuwd zaadje van een vrucht,
overal liet ze iets na, subtiel doch onuitwisbaar.

En moe geworden van die lange trek, zocht ze een plek om even te verpozen,
een nieuwe grond, een hol om zich in op te rollen. 

Daar rust ze nu, haar huiden keurig weggeborgen,
de nesten in haar takken verlaten, haar hoeven gereinigd van zand en eelt.
Ze rust en wacht, wacht op de ochtend dat ze weer vertrekken zal.