Tuimeling, al woelenddoor Adriana Kobor

Soet 2017
18+
maatschappij


Mijn hand kleeft aan de wanden. Wij worden vaker drama
dan wij denken. Er is een man in de gedachtengang van de vrouw,
maar zij zit met haar benen vastgeënt, in een kraamstoel. 

De geboorte af, komt er een vertakking in haar gezicht. Zij ligt -
principezacht - naar een zwemband te staren,
niemand die haar nog redden kan. In haar niet bewegen,
de vrijheid is gewogen.

De zin werd gewekt in het kinderbed waar ze vastzat,
ze wiegde niet, schreeuwde nooit. De kinderen van deze ingeënte stilte,
met het nobelste dichterbij de hersenen dan wààr hun mond
uitgetekend, dat zij nog in waanbeelden spreken kon. Er bewoog iets,
onder dezelfde naam die ze uit het golvend geheugen had gevist:
een motto: samen feeën, alleen: een atlas mààr. Daar zat
zij vast, met war en wonden, na het beste dat zij had gekund. Gelukkig, wees,
doch kinderdijen, gekoppeld in een paar. De licht afwijkende haarkleur,
anders, perfectie in de stem, waarheid, reukzin. Ik wist dat ik neuriën kon.
Ik wist nog niets van zingen. Maar waanzin! En een kind gevlucht van de kraamafdeling in 1988. Een kind gevlucht.

Ik vlechtte je haar: je vocht, simpele waanzin en enkele naalden:
maanden dat ik je in een mand verwelkte. Het opwekken: niet meer
dan de insinuatie voor een gevecht. Kinderen die hun benen afkoppelen,
in de gedomesticeerde stilte. Konden zij maar weglopen van bestaan.

Ons vermogen af: de wieg die door het begeven bewegen kon.
Februari, Saturnus retrograad. Zacht en zwijgzaam, was de derde,
zoals het keren van een kind. Er zat een speling in de wieg,
de tuimeling, de elektriciteit, zij viel ons uit, iets woelends,
aan het woede-einde.

Waan, zing ik nog, zegt de moeder, en zij werkt verder in de
verte. Aan al dat gevlecht
dat zij alleen verzon.


4(3)-2-2017