Daar zit ge dan op uw stoel aan uw klaptafeldoor Micha Hulsmans

Soet 2017
18+
emoties

Daar zit ge dan op uw stoel aan uw klaptafel.

En ge hebt juist een mens gered.

En ze zei: “ge zijt bedankt meneer.

‘t Was goed, wat gij gedaan hebt.

Ge zoudt nu maar eens weder moeten keren naar waarvan ge gekomen zijt.

Het noodzakelijke van uw hier zijn is gepasseerd.”

 

En wedergekeerd zijt ge, naar waarvan gij gekomen waart.

En nu zit ge daar; en ge zit daar alleen.

En het enige wat ge bedenken kunt, is iets te schrijven.

Over hoe ge daar aan het zitten zijt misschien, of wat ge zoal gedaan hebt vandaag.

 

Maar voor wie zou ge ‘t schrijven?

’t Gaat voor iemand moeten zijn.

Als ’t voor niemand zou zijn, is ’t droeviger dan alles al is.

Dus ge besluit dat ge ’t voor Boontje schrijft.

Ge zijt bovendien ook aan ’t lezen wat hij voor u geschreven heeft.

Waarom zou het dan niet kunnen dat hij dat van u voor hem ook leest?

 

Het zou dan misschien beter zijn als ‘t niet over uw eigen gaat.

De mensen en Boontje zouden met u kunnen lachen.

Zoals die man dat deed, gisteren nog, met zijn eerstgeborene.

Toen ze naar u keken en zeiden: dat is er zeker zó één.

En gij denken dat ze u zagen en dat ze meenden te weten dat ge een superheld waart.

Maar het lachen werd zó wild en ’t was zeker iets anders waar ze plezier om hadden.

 

Dus ge begint over Marcel; en over passie.

En dat ge denkt dat hij daarvan te weinig heeft.

Ge hebt het er eergisteren nog met hem over gehad.

Dat als hij ooit oud genoeg is om gedaan te hebben met werken, hij zich gaat vervelen.

Omdat hij het niet heeft.

En hij zegt dat het geld kost en tijd en nóg heel wat dingen; en die heeft hij ook niet.

En dat gij gemakkelijk praten hebt.

Superhelden houden met niks of niemand rekening.

 

En ge geeft ‘m gelijk.

Thans, dat zegt ge.

Ge zegt niet dat het eigenlijk omgekeerd is.

Dat niks of niemand rekening houdt met superhelden.

 

Ge wordt er ongelukkig van.

En ge begint aan meneer Hiet te denken, die er ooit was.

Dus ge wordt nog ongelukkiger.

En zonder dat ge ’t stoppen kunt, denkt ge ook aan meneer Deevid.

En hoe ge ze mist.

En.

Ge mist ze.


En in al uw onmacht grijpt ge naar ’t gedicht dat ge ooit gevonden hebt.

Want dat doet ge als ge u onmachtig voelt.

’t Is een half gedicht eigenlijk; ge hebt ooit een half gedicht gevonden:

­­­

Ik stond ooit in het bos

Precies in het midden

Hoe weet ge dat het precies in ’t midden was, vraagt ge mij

En ik zeg u dat ik het voelde

Ik stond daar, precies in het midden

En ze wisten allemaal wat ik aan het denken was,

De bomen

En ze wisten precies wat ik gedaan had en wat ik ging doen

Later, ooit, een keer

 

Ik stond ooit in het bos

En ik voelde me groot en alles

En klein en niks