DE STADdoor Mattijs Deraedt

Soet 2017
18+
stad

DE STAD

 

de stad huilt elektronische tranen

die van haar straatlantaarns druipen

ze weerspiegelt zich in het scherm

van mijn smartphone terwijl ik deze woorden vorm

letter voor letter, duimen op de toetsen

en ze lacht

 

ze vindt zichzelf wel mooi, de stad

ze wil zichzelf betasten, zich opensperren

voor het panoramische raam van een penthouse

haar satijnen nachtkleed van haar schouders

laten glijden, een gin tonic met kruidnagel

tussen de geparfumeerde vingers

zich glinsterend wit laten likken door de skyline

ze zou zo graag nog eens

zo genomen worden

dat het niet meer duidelijk is wie wie

of wat wat precies aan het nemen is

 

de stad voelt woorden opborrelen

uit haar meest behaarde achterbuurt

ze probeert ze te vangen voor ze wegglippen

en door de met smog beklede straten zweven

ver voorbij de handen

van haar Somalische vuilnismannen

 

de stad voelt zich zo lyrisch

als een Coca-Colareclamebord

een tempel van vlees

een wild zwijn dat met zijn snuit in de modder wroet

op zoek naar zilveren truffels

 

de stad verbergt Aziatische geesten

in de ruiten van haar treinwagons

ze geurt naar amandel en lokt oude wollen vrouwtjes

de bus en vervolgens een steegje in

 

wanneer ze hoest, komt er een stuk van haar long mee naar buiten

ze denkt terug aan de tijd waarin ze alles voor het eerst zag

hoe de stroom van autolichten ’s nachts aan de horizon verdween

alsof de wereld daar ophield

 

ze zou nog één keer een verzameling roze bloesems

willen zijn, ergens in april, achterin een boomgaard

een wasdraad met dampende kleren en veelkleurige spelden

 

ze zou zo graag weer eens alleen zijn

en staren naar haar eigen witte bossen

achter vensters van licht

hoe dan een vrouw bijna onzichtbaar uit het raam klautert

zich gewichtloos van de regenpijp laat glijden

om door de straten te dartelen alsof het nooit anders

 

maar de stad is nog steeds stad

ze geeft geen sleutels weg, ze rolt

als een rivier in een lied van Leonard Cohen

en laat de ronkende tongen van duizend kraanvogels

zich volledig open en over en uit woelen

 

de stad is het zoutwezen dat wriemelt tussen de kasseien

ze wil zich zo graag nog eens verbazen

zich onherkenbaar terugvinden onder de lakens

met vol gekraste poten en diamanten ringen

 

ze wil geluiden horen, zinnen dicteren, beelden zien

die ze nooit dacht te dragen

ze wil ademloos zijn, zichzelf verliezen in de opsomming

niet kauwen op lauwe flitsen

maar zichzelf de twaalf blauwe bancontactogen uitsteken

zich leeg zingen als een karamellenwijf

in het licht van een jazzkroeg

 

maar ze blijft een raadsel

 

van alles wat je weet