Vogels zonder Verendoor Jozefien Stellamans

Soet 2019
15-17
bitter

In een menigte van kraaien, merels, mussen en meesjes, zijn er maar weinig die aan de grond vastzitten. Een enkeling heeft een gebroken vleugel of is tegen een raam geknald. Geef ze de tijd om te helen, en al gauw zullen ze weer als adelaars in de lucht cirkelen. De zwerm vliegt door. Het zijn de leden van de bovenlaag.
Wij zijn de kerkers.

We hopen onze wanhoop op in stapeltjes en dragen ze op onze ruggen. We hebben leegtes in onze ogen en stormen in onze hoofden. We zijn te zwaar om op te stijgen, te massief beladen. We zijn de vogels zonder veren. Gekluisterd aan de onderwereld, gevangen in het verleden.

Niemand weet waarom we bestaan. Niemand weet wel zeker of we bestaan. Soms zijn we enkel hersenschimmen, schizofrene spinsels van waarheid en hallucinatie. We worden verafschuwd, vermeden, weggejaagd en opgejaagd. Onze vermoedelijke existensie is een vlek op het maagdelijk witte kleed van moeder natuur.
En daar zijn we ons bewust van.

We mergelen onszelf uit omdat we denken te zwaar te zijn, denken misschien toch te kunnen vliegen als we slechts een hoopje botjes zijn. We rijten onze huid open om te zien of er toch geen veerpennen onder zitten, gevangen onder een laag eelt en wondweefsel. We gooien onszelf van kliffen om toch maar één keer dat vliegen te proberen, om één keer die gewichteloosheid te ervaren.

Doe een wens, maar zeg ze niet luidop.

Vliegende vogels vallen niet