Ijsjesdoor Kristien Spooren

Soet 2019
18+
gemis

Toen ik acht was, kreeg ik van mijn vader een doosje zeelucht.

Ik was er heel spaarzaam op,

want ik wist niet hoe lang geuren bewaard bleven

en ook niet of ik dan beter in of buiten het doosje uitademde.

 

Hij had alle lucifers opgebrand

en ons het vuur aan de schenen gelegd.

Ik hield het meest van de seconde vlak voor de lucifer ontbrandde,

van dingen die bijna vernietigd worden.

 

Die zomer had ik besloten dat ik van de zee hield.

Ik speelde er tikkertje mee.

Raakte het water aan met mijn voeten,

rende weg,

liet het achter mij lopen.

De zee leek op mijn moeder,

die ook altijd wegging,

en dan weer terugkwam.

En dan weer wegging.

 

Mijn moeder.

Soms dacht ze dat ze een golfbreker was.

Ze stond op het strand met haar benen open

en zei dat wij achter haar moesten gaan staan, in een rijtje.

Zo zag het eruit om samen tegen iets bestand te zijn.

 

’s Nachts droomde ik van vloedgolven.

Ik wilde het zand in mijn ogen wrijven om beter te kunnen slapen.

 

Als mijn badpak nat was, werd het één met mijn lichaam.

De contouren van mijn huid stonden vast

en mijn schaduw flapperde niet meer.

Ik was alleen maar een vorm

die aan een mens deed denken.

 

Er waren heremietkreeften,

kleine inwoners die zelf hun omhulsel kunnen kiezen.

Ik was jaloers.

 

Een kind viel toen hij een frisbee achterna rende.

Hij viel in stukken, eerst zijn voeten, dan zijn benen, zijn romp, en zijn hoofd.

Ik vroeg Val je altijd zo.

Hij zei Mensen vallen nooit in één keer.

Ik zei Ik wou dat mijn schouders als laatste vielen.

 

We kregen ijsjes.

Ze drupten langs onze vingers

en stroomden tussen de straatstenen.

De discobolletjes kleurden onze tongen,

dus als we boos waren,

 

staken we een regenboog uit.

We begroeven onze moederkoek in de duinen

 

en hoopten dat er een stamboom uit zou groeien.