Het is zoals nagelbijtendoor Laura Nollet

Soet 2019
18+
gemis

Het gaat over de dingen die over zijn.

De dingen die achterblijven bij een afscheid.

Een onbedoeld afscheid,

eentje dat overvalt en eentje 

dat ontmantelt.

En ook eentje dat uiteindelijk gelukkig maakt.

Omdat je beseft dat je het eigenlijk wel begrijpt.

 

Beeld je in.

De eerste regen van de zomer valt harder.

Je ruikt het.

Het kruipt in je huis, je huid

In je hond en je kat.

 

Beeld je in.

Ze zit daar. 

In de zetel. 

Blozend rood door zomerzon.

Starend naar morgen,

de dag dat ze verdwijnt.

 

Het is zoals nagelbijten.

Zorgvuldig knaagt ze de witte randen van haar nagels tot ongeveer halverwege.

De rest rukt ze met haar tanden gekarteld af.

Ze slikt ze niet in. Zo’n verbintenis kan ze niet aan.

Ze spuwt ze uit en stopt ze in haar broekzak.

Daarna pulkt ze de velletjes rond haar nagelbed tot rauw vlees

 

Met haar neus tegen het raam geplakt, negeert ze haar reflectie.

Koude, verbeten vingertoppen glijden om de randen van het glas.

De druppels vallen zwanger op het droge landschap en tegen de ruiten

Ze stromen over haar wangen en ze ziet de tranen die ze zelf niet kan opbrengen over haar gezicht glijden.

De wind wordt heviger, de regen gretiger

Het is zo’n dag waarop zelfs de vogels niet willen vliegen.

 

Voor haar ligt een veld gevallen vogels.

Ineengedoken en met zware veren verstenen ze in het bruine gras voor haar raam.

Een vlucht aan de grond genageld, tussen het grijs en het groen.

Ze ziet zichzelf in het landschap.

Een reusachtig zwevend hoofd, tussen koploze, natte duivenlijfjes.

Ze hapt met haar mond en probeert hen te vangen.

Maar opnieuw kan ze het niet over haar hart krijgen

En stopt hen één voor één in haar broekzak.

 

Haar kleren wegen zwaar. Vol nagels en natte veren.

Haar haar is ontembaar en over haar hele lichaam prikt rauw vel.

Ze voelt zichzelf uitdrogen, verschrompelen

terwijl ze toekijkt hoe dikke druppels buiten rivieren kerven in de dorstige grond.

De zonnebrand van de laatste weken kruipt steeds dieper in haar vel.

Ze bleef te lang in de zon.

 

De eerste barsten komen na de slaap.

Dan laten opgekrulde velletjes verleidelijk hun hoeken zien.

Ze speelt met de randen, wacht tot ze rijp zijn.

Tot ze repen vel kan trekken, zo groot mogelijk.

Ze wilt zichzelf afwerpen.

Omdat ze benieuwd is of ze zo beter in zichzelf zou passen

En of ze haar maat zou vinden.

 

Maar iedere keer komt de teleurstelling harder aan.

Omdat vlees vlees blijft, en niets meer.

Hoelang kan ze pulken en prullen aan haar lijf?

Tot haar broekzakken te klein worden?

 

Met haar kapotte vingertoppen veegt ze haar adem van het raam.

Ze drukt haar lippen tegen het glas en kust de weerspiegeling die ze niet durft aan te kijken.

Drinkt van de druppels die nu zachter vallen

En ziet hoe de zon de wolken breekt.

En hoe de vogels het water uit hun veren schudden.

Hoe er eentje naar haar toe springt, nog te zwaar om te vliegen.

Maar sterk genoeg om op de vensterbank, vlak voor haar neus

De veren te poetsen.

 

Hij kijkt haar nu aan, draait zijn kopje van links naar rechts

En ze voelt zich gezien

voor het eerst kijkt in haar eigen ogen en glimlacht

wanneer ze voelt hoe ze uit haar eigen wereld glijdt

en in het groen samen met de andere vogels van de zon drinkt

Met haar prikkende handen stroopt ze het natte gewicht

Kleren, huid, sproetjes van haar lijf

Ze houdt haar ogen en haar glimlach die ze zo lang kwijt is geweest

En laat het meedragen door de wind

Onder haar veren

In vogelvlucht