Wildgroeidoor Willem De Pessemier

Soet 2019
18+
emoties

 

Er zijn mensen die nooit zonlicht zien. Niet letterlijk als kleine daken in de schaduwomwenteling van hoge gebouwen. Wel hetzelfde, is de koelte: in het midden vlakker uitgestreken dan de pampa in Zuid-Amerika waar je, als je op de tippen van je tenen staat, over landen heen kan kijken. Naar de uiteindes toe, afhellend. Gebogen, als water in een, tot de rand gevuld, glas. Daarin waterdeeltjes die elkaar aan het oppervlak vasthouden tot er een velletje overheen groeit.

 

 

Oppervlaktespanning. Elke kromming doet me aan de bochel van mijn grootmoeder denken. Ettelijke keren heb ik me afgevraagd wat er zou gebeuren mocht ik hem doorprikken. Zachtjes tot de bodem drukken met aan elkaar gehechte vingers van pasgeboren baby’s, met geslepen punten van een bundel kleurpotloden met de snavel van een zieke eend. Soms dacht ik dat ze uit zichzelf zou lopen, in een plas om zich heen zou gaan liggen. Haar schoenen tot de enkels gevuld. En dan wachten tot er een velletje overheen groeit.

 

 

Voor haar zou het louter een porren geweest zijn. Voor een glas zo koel als sommige mensen zijn, een overlopen. Feit en wens assimileren tot de rug van mijn grootmoeder weer gewoon een zadel op een paard is. Vroeger verzamelde ik schimmels zoals leeftijdsgenoten postzegels. In brooddozen, turnzakken, de lades onder mijn bed. Ik wou met mijn eigen ogen zien dat alles wat leeft, ooit ook weer verdwijnt.

 

 

Op National Geographic zie ik hoe een Braziliaanse spinneruil zich voedt met het traanvocht van slapende vogels. Naast mij, een man die precies zo voelt. Als vluchtige intimiteit met een nasmaak: onwetend of het ooit zal schaden en hoe dan precies. In de tussentijd kunnen we alleen maar uitgaan van.

 

 

Als kind was ik zo bang om zonder tranen te vallen dat ik ze tijdens het huilen met mijn tong opving. Wanneer het regent, kantel ik mijn hoofd naar achteren, laat ik mijn mond vol water lopen en wacht ik tot een vijverloper mij voor een rivier aanziet. Vergissing is een idiotisme. Ik wil geloven groter te zijn dan ik ben.

 

 

’s Zomers zwemmen we in Turkse meren, duwen elkaar kopje onder. In het donker nemen we elkaar enkel waar door trillingen op het wateroppervlak, als waterspinnen een prooi. ’s Nachts alleen nog hunkering en een rollenspel: om de beurt bloedzuiger. Groter worden dan.