Krijtstrependoor Mattijs Deraedt

seizoen 2013-2014
18+
liefde

vandaag stond de jongen vroeg op,

haalde wat munten uit de zware kist

en toen hij dacht dat het tijd was,

brak hij de wijzers van de wandklok

en stapte de ochtend in

 

de speelplaats waar hij altijd voorbijkwam,

behelsde vele leugens, verhalen over meisjes

die hun moeder misten, soldaten met jeukende buiken

en een dorst naar het leven, de hamer, het geld

 

vroeger zag hij er witte, magere mannen

met slangenharen en bruingevlekte lepels

maar toen ze roken dat hij luisterde, 

brandden ze hun verleden in zijn nek

met naalden van suiker

in de weken die volgden, stopte hij kogels

in zijn broekzak om een vuist te maken

wanneer het moest

 

vandaag zat er meisje met ontblote benen,

de kuiten van een danseres in zwarte kousen

ze droeg een veel te groot hemd, waarvan

ze de knopen aan haar piranha’s had gevoed

 

hij hoorde haar fluisteren, stilletjes zingen

over de nacht en de gele maan

die ze op haar plafond had geschilderd,

over het tijgerskelet op haar bed

en over de man achter het blauwe gordijn

 

hij wou een teken achterlaten op het beton

zodat hij zich zou herinneren dat hij haar hier had gezien

want waar was ze al die tijd geweest

en hoelang zou hij haar deze keer moeten missen?

hij nam een stuk krijt

en begon haar te omcirkelen

terwijl de grond langzaam nat werd

 

ze stopte met zingen, haar lippen bleven op een kier

verbaasd streelde ze de tulpen in haar haren,

een zon droop uit haar oog, gleed als een snoer

over haar wang, langs haar hals naar nooit meer

 

ze dansten tussen de lichtvlekken

die door het hout dwarrelden

en de gestroopte wezels deden gloeien,

boven in de boomhut, waar ze ’s avonds

stokbrood aten en ze vertelde

dat ze haar moeder nooit had gekend

 

en hij vroeg haar om hem over zeven jaar

opnieuw te ontmoeten, wanneer ze groot zou zijn

en zou ruiken naar een parfum uit de stad

 

ze zouden zingen tot de ochtend en de glazen zouden

rinkelen en ze zou op zijn schoot komen zitten

en haar ogen zouden zo dichtbij zijn, haar adem zo warm

en haar lichaam zo echt en zacht en zijn armen breder

dan de armen van de vissers en de nacht zou eeuwig zijn

en zich wentelen in een huid van brandende kolen

en visioenen van verdronken slapers waar ze niet

om zouden treuren, maar lachen en brullen

en elkaars beten ontwijken

 

maar eerst zouden ze moeten vergeten, van de speelplaats,

de man achter het gordijn, het krijt en het brood